Hoe kiest u de looptijd voor uw woonkrediet?

Recht en financiën

U kunt bij uw bankier voor een gepast woonkrediet terecht. Maar wat met lastige termen als rente en looptijd. Wat zijn de huidige trends? En welke formule kiest u best?

Een woning bouwen of verbouwen kost handenvol geld. Gelukkig kunt u te allen tijde terecht bij uw bankier voor een gepast woonkrediet. Maar dan wordt u al snel geconfronteerd met lastige termen als rente en looptijd. Wat zijn de huidige trends? En welke formule kiest u best?

Belgen hebben nog steeds die fameuze baksteen in hun maag. De prijzen voor het bouwen van een woning zijn er echter niet gunstiger op geworden. Dat heeft onder andere te maken met de hogere energie- en staalprijzen. Maar volgens Fortis – de marktleider op het gebied van woonkredieten – is er voorlopig geen duidelijke verschuiving merkbaar wat betreft het bedrag van de aangevraagde kredietaanvragen. Er wordt dus niet echt méér geld geleend dan in het verleden.

Ook op het vlak van looptijden is er een zeker conservatisme vast te stellen. Hoewel: de trend naar wat langere looptijden lijkt nu definitief te zijn ingezet. Leningen met een looptijd van 20 jaar genieten nog steeds de voorkeur, maar de aanvragen voor kredieten met een duurtijd van 30 jaar zitten in de lift. De vraag naar de ‘lange lening’ van 40 jaar blijft voorlopig beperkt. De Belgische markt lijkt – in vergelijking met sommige andere Europese landen – nog niet rijp voor dergelijke langlopende leningen. Dit alles resulteerde in 2007 in een gemiddelde looptijd van 21 jaar voor alle kredieten in ons land. Ter vergelijking: in 2005 bedroeg die duurtijd nog gemiddeld 18 jaar.

Hoe uw looptijd kiezen?

De keuze van de looptijd van een lening moet uiteraard goed overwogen worden. Want uiteindelijk is die keuze bepalend voor de periode waarin u uw woonkrediet zal moeten afbetalen. Een korte termijn (10 à 15 jaar) kiest u wanneer geld geen probleem is. In de praktijk zijn het vooral oudere mensen met een spaarpotje die een lening met beperkte looptijd afsluiten. Jongere mensen worden dan weer eerder in de richting van langere looptijden gedwongen. Door de sterk gestegen vastgoedprijzen worden ze immers geconfronteerd met twee mogelijkheden: kiezen voor iets goedkopers, of een lening met een langere looptijd van bijvoorbeeld 30 jaar afsluiten. In de praktijk wordt dan doorgaans voor deze laatste oplossing gekozen. Wie een nóg langere looptijd – van bijvoorbeeld 40 jaar – overweegt, kan zich uiteraard nog meer veroorloven. Maar zo’n formule kan op het psychologische vlak wel zwaar gaan doorwegen.

Handig om weten is dat er ook flexibele vormen van hypothecaire leningen bestaan, waarmee bouwers en verbouwers zonder wederbeleggingsvergoeding de looptijd van hun krediet kunnen inkorten. Dat kan op elk moment – wanneer hun financiële situatie dit toelaat. Deze soepele formules zijn er mee verantwoordelijk voor dat de drempel naar langere looptijden stilaan verlaagd werd. Toch blijkt uit cijfers dat het merendeel van de Belgen – in 2007 waren ze samen goed voor 95 % – nog steeds kiest voor een vaste looptijd. En dat percentage is zelfs nog gestegen ten opzichte van de vorige jaren.

En wat met de rentevoet?

In het verleden kozen kredietnemers vaak voor een variabele rentevoet, omdat deze vorm van woonkrediet veel goedkoper was. Een lagere rente betekent immers een lagere maandlast, en dat stelde heel wat bouwers en verbouwers in staat om zo toch het beoogde bedrag voor hun nieuwbouw of verbouwing te ontlenen. De invoer van langere looptijden in de vaste formules heeft mensen met dit probleem echter een alternatieve oplossing geboden. Daarom zijn kredieten met een vaste interestvoet een stuk populairder geworden.

Een andere belangrijke factor: het verschil tussen een vaste en een variabele rentevoet is helemaal niet meer zo groot als in het verleden. Gemiddeld is een lening met vaste interest minder dan een kwartprocent duurder dan een woonkrediet met dezelfde looptijd maar met variabele interest. Soms is het verschil zelfs nihil.
Hoe kleiner het verschil, hoe meer argumenten er zijn om te kiezen voor ‘vast’. Ook dit heeft ertoe bijgedragen dat leningen met een vaste rentevoet duidelijk de voorkeur genieten boven de variant met vlottende interest. Wie vandaag toch kiest voor een variabele formule, moet er dan ook rotsvast van overtuigd zijn dat de rentevoeten in de komende jaren nog gaan dalen. Hoewel: bij heel wat banken krijgt u vandaag ook de mogelijkheid om over te stappen van variabel naar vast, zonder dat u hiervoor een wederbeleggingsvergoeding dient te betalen.

In de huidige marktomstandigheden is de keuze voor een vaste rentevoet alvast niet onlogisch. Maar zekerheid hieromtrent heeft u niet (zie kader ‘Worden kredieten goedkoper of duurder in 2008?’). Er zijn bovendien meerdere factoren die uw keuze dienen te bepalen. We zetten ze hieronder op een rijtje.

U kiest voor een vaste rentevoet wanneer: – de langetermijnrente relatief laag staat met een grote stij

– het verschil tussen vast en variabele rentetarieven relatief klein is

– u de voorkeur geeft aan zekerheid boven flexibiliteit

– u nog relatief jong bent

– u zich geen kopzorgen wenst te maken over uw hypothecaire lening

U kiest voor een variabele rentevoet wanneer: – de langetermijnrente hoog staat met een neiging tot daling

– het verschil tussen vaste en variabele rentevoeten relatief groot is

– u kiest voor flexibiliteit boven zekerheid

– u uzelf als ‘eerder oud’ in plaats van ‘eerder jong’ zou omschrijven

– u bereid bent om de financiële markten te blijven volgen

Nieuwe trend: meer verbouwingen

Uit cijfers blijkt dat steeds meer verbouwingen gebeuren met behulp van een woonkrediet. Marktleider Fortis merkt alvast dat het aandeel van verbouwingen in het totale bedrag aan woonkredieten het afgelopen jaar gestegen is tot 22 %. In 2005 waren verbouwingen nog goed voor 17 %. En alles wijst er op dat deze trend zich ook in de komende jaren zal doorzetten.

Maar wat is nu de oorzaak van deze evolutie? Allereerst: de fiscaliteit. Sinds 2005 is er in dat verband namelijk een aantal beperkingen weggevallen. Dat geldt in de eerste plaats voor het minimumbedrag van 20.000 euro. Kortom: ook kleinere verbouwingen zijn nu interessanter geworden op het fiscale vlak. Ook niet onbelangrijk is het feit dat de fiscale aftrekbaarheid in het verleden enkel gegarandeerd werd als u een beroep deed op een geregistreerde aannemer. Die verplichting is intussen weggevallen.

Bovendien wordt er steeds meer gebruikgemaakt van zogenaamde kredietopeningen, waarbij men terugbetaald kapitaal opnieuw kan opnemen. Dat heeft een belangrijk voordeel voor de verbouwer: hij dient geen extra notariskosten meer te betalen.

Roel Van Espen

Niet gevonden wat je zocht?

Probeer het nogmaals in onze zoekmachine.

Gerelateerde artikels