Voordelen en prijzen van groendaken

Dakdekking, Groendaken en -gevels

Begroeide daken, ook wel eens "groendaken" genoemd, duiken zowel op het platteland als in de stad op.

Begroeide daken, ook wel eens “groendaken” genoemd, duiken zowel op het platteland als in de stad op. Ze hebben de bewoners veel te bieden, maar zijn ook vrij duur in aanleg. Welke voordelen verantwoorden die prijs? Voor welk type daken zijn ze geschikt? Welke factoren kunnen hun realisatie bemoeilijken?

Zuiver praktisch gezien biedt de aanwezigheid van groendaken heel wat voordelen. Groendaken rationaliseren ons regenwaterbeheer: wanneer het regent, absorbeert de retentielaag van het dak een belangrijk deel van dat water, zodat de hoeveelheid die naar het riool stroomt beperkt blijft. Op die manier fungeert elk dak als stormkering.

Ze passen perfect in een beleid met aandacht voor de energieprestaties van gebouwen. Toch mag de isolatiewinst die door een vegetatielaag wordt opgetekend, niet worden overschat: 1 cm isolatie stemt overeen met een substraatlaag van 50 cm. Daar staat tegenover dat de thermische inertie van het dak stijgt, waardoor oververhitting in de zomer wordt tegengegaan en het thermisch comfort in de winter toeneemt.

Een groendak biedt genoeg bescherming en ballast voor een isolatielaag die aan de buitenkant van een plat dak werd aangebracht. Ook het akoestische comfort verhoogt door de massa van de elementen, vooral tijdens regen- of hagelbuien.

Vanuit ecologisch standpunt compenseren groendaken de groenruimten die moesten wijken voor het bouwproject. Ze creëren een nieuwe habitat voor fauna en flora. Ze verbeteren het stadsklimaat en houden het atmosferisch stof vast.

Naast al die praktische voordelen verleent een groendak uiteraard een extra esthetisch cachet aan uw woning. En dat valt evenmin te versmaden.
Bent u verleid door de voordelen van een groendak? Ga dan niet meteen aan het werk! Stort u dan niet op uw eentje in het avontuur. De combinatie van technische, botanische en stedenbouwkundige kennis maakt de inbreng van geschoolde vakmensen zowat onmisbaar.

Ingeburgerde term?

Tot voor kort zou een aannemer die een stedenbouwkundige vergunning voor de realisatie van een groendak in handen kreeg, hebben voorgesteld het… groen te schilderen! De bevoegde ambtenaar zou hem hebben moeten uitleggen dat het ging om de renovatie van een bestaand plat dak, waarop hij een laag teelaarde moest aanbrengen als basis voor de begroeiing die zich verder zou ontwikkelen. In dat verband kunnen we spreken van een “groendak”.

De term verwijst naar twee types van daken: intensief of extensief. In beide gevallen wordt de oppervlakte bedekt met planten. Het verschil tussen beide schuilt in het soort begroeiing dat zich zal ontwikkelen. Het Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor het Bouwbedrijf (WTCB) definieert een extensieve vegetatie hoofdzakelijk aan de hand van planten als mos, sedum en sommige winterharde planten.

Tot de intensieve vegetatie behoort onder meer het gazon, bodembedekkers, struiken en bomen. In onderstaande tabel vindt u een overzicht van hun belangrijkste karakteristieken.

Op elk dak?

Meerdere criteria definiëren de functionaliteit van en de voorwaarden voor de realisatie van een groendak: de hellingsgraad en de stabiliteit van de ondergrond, de toegankelijkheid, de ligging en het soort substraatlaag.

Technisch gezien moet de minimale helling van de dakondergrond schommelen tussen 2 en 17 procent om eenvoudige oplossingen te kunnen hanteren. Hoe hoger de hellingsgraad, hoe groter de behoefte aan technische elementen die het wegglijden moeten tegengaan. Vanaf 17 procent helling is de aanleg van een groendak meer een technologisch hoogstandje dan een bewuste ecologische keuze.

De stabiliteit van de constructie en de mate waarin een groendak een verantwoorde belasting vormt, moeten steeds door een vakman (architect en/of ingenieur) worden ingeschat.

De toegankelijkheid van het dak bepaalt het type begroeiing. Niet alle planten zijn immers bestand tegen een frequente circulatie.

De ligging, het zonlicht en de onmiddellijke omgeving van het dak definiëren mee de karakteristieken van de aanplantingen. Naar schatting is meestal een minimum van drie uur zonlicht per dag nodig om de ontwikkeling van planten te stimuleren.

Tot slot is de beschikbare hoogte op de ondergrond bepalend voor de samenstelling van de verschillende lagen en met name van de substraatlaag. Het type dak (extensief of intensief) hangt van al die factoren af.

Componenten

Een groendak bestaat uit een ondergrond, een isolatielaag, een dichtingsmembraan, een draineerlaag, een substraatlaag en begroeiing. Ondergrond: identiek aan die van een klassiek dak. Geschikt om de extra belasting van het groendak te dragen. Isolatie: identiek aan die van een plat dak. Kies bij voorkeur voor drukvaste isolatie.

Dichtingsmembraan: van, bijvoorbeeld, polymeerbitumen, synthetische materialen (pvc, epdm) of een vloeibare dichting. Zoals voor alle daken is een helling van minimaal 2 procent noodzakelijk om een vlotte afvoer van het regenwater te verzekeren. Dankzij de bescherming van de vegetatie gaan dergelijke membranen 40 tot 70 jaar lang mee.

Antiwortelbescherming: bitumineuze membranen zijn uit zichzelf niet wortelbestendig. Volgens het WTCB moet u ze combineren met een antiwortelbescherming (in pvc of polyethyleen) om een aantasting van de waterdichtheid te voorkomen. De meningen rond het aanbrengen van een dergelijke bescherming lopen uiteen. In Duitsland is een dergelijk membraan zelfs verboden.

Draineerlaag: beschermt de afdichting tegen ophopend water ten gevolge van een te lage hellingsgraad en fouten in de afwerking, met name in de opeenvolgende lagen en de overgang. Een filtermat met een grove textuur of voorzien van een module in luchtige kunststof kan eveneens worden gebruikt om de irrigatie van het dak te regelen. Het water moet hoe dan ook onder de substraatlaag worden afgevoerd.

Substraatlaag: een degelijke substraatlaag moet voldoen aan vier criteria:
1. een goed absorptievermogen,
2. voedingsstoffen,
3. draagbaar gewicht voor de structuur,
4. bewaart volume in de loop der jaren.

De types substraatlagen (grind, steenslag, keien, vermiculiet, geëxpandeerde klei, perliet, aarde of zand) kunnen op zich of in combinatie worden gebruikt.

Begroeiing: de planten die deel uitmaken van deze laag worden gekozen in functie van:
1. hun bestendigheid tegen de klimatologische omstandigheden op de locatie,
2. de dikte van de substraatlaag,
3. hun groeimogelijkheden,
4. de toegankelijkheid van het dak.

Het is interessant te kiezen voor een combinatie van sierplanten en wilde variëteiten. Dat maakt het dak biologisch interessanter (als biotoop voor vlinders, bijen en andere sympathieke insecten) en doet geen afbreuk aan de esthetiek.

Planten en centen

In België verschillen de voorschriften en de steunmaatregelen voor een project naargelang het Gewest waar u zich vestigt.

• Vlaanderen ondersteunt dergelijke werken via de gemeenten. Indien de subsidiëring van groendaken deel uitmaakt van het samenwerkingsakkoord tussen uw gemeente en de Vlaamse regering, heeft u recht op een tussenkomst van 25 euro/m2 of meer. Informeer bij de bevoegde gemeentelijke diensten.

• Momenteel worden er in Wallonië geen subsidies toegekend voor groendaken. De stedenbouwkundige diensten blijven er vasthouden aan het model met twee dakschilden, bij voorkeur afgewerkt met dakpannen of leien.

• Volgens de stedenbouwkundige voorschriften die in Brussel gelden, moeten niet-toegankelijke platte daken (of daken die enkel om technische redenen worden betreden) van meer dan 10 m² als groendaken worden ingericht. Er worden trouwens premies van 7,5 tot 15 euro/m2 uitgekeerd, naargelang u kiest voor een extensief of een intensief groendak (tot maximaal 50 procent van het factuurbedrag). Een groendak moet trouwens aan een aantal technische en administratieve voorwaarden voldoen. Informeer bij Leefmilieu Brussel en vraag inlichtingen bij de diensten van uw gemeente over eventuele bijkomende premies.

Plantensoorten2 – 5 cm: mos, sedum (kleine kruipplanten ook te zien op oude muren), korstmossen

5 – 10 cm: grasplanten (bloedooievaarsbek, muizenoor gelijkend op een madeliefje), Campanula (blauwe bloem in de vorm van een klok), Graminea (planten die we gewoonlijk grasachtigen noemen, zoals het gazonen graangewassen), rotsplanten (bieslook, dwerg- of dakiris, gele look of kogellook, blauwe druifjes

10 – 20 cm: Struikgewas: tijm, lavendel, heide, brem, gazon

20 – 50 cm: middelgrote struiken: buxus, egelantier, kardinaalsmuts, sleedoorn, liguster

+ 50 cm: kleine loofbomen

Niet gevonden wat je zocht?

Probeer het nogmaals in onze zoekmachine.

Gerelateerde artikels