Welke energie en welke installatie kiezen?

Centrale verwarming

In ons klimaat is verwarming een must. De schaarser en dus duurder wordende energie dwingt ons echter om er spaarzaam mee om te springen.

In ons klimaat is verwarming een must. De schaarser en dus duurder wordende energie dwingt ons echter om er spaarzaam mee om te springen. De overheid verplicht ons er zelfs toe en springt financieel bij met premies en belastingaftrek. Maar de hamvraag blijft: welke energie en welke installatie kiezen? Ik ga Bouwen & Renoveren zet u op weg.

Een woning moet niet alleen mooi en praktisch zijn, ze moet ook een comfortabel binnenklimaat hebben. Niet te warm, niet te koud. In ons klimaat betekent dit dat we behoefte hebben aan verwarming op de kille, klamme en koude dagen: een groot deel van het jaar dus. De keuze van het juiste verwarmingssysteem is dus ontzettend belangrijk. Bovendien is goed kiezen niet zo eenvoudig. Eerst en vooral moet je een systeem zoeken dat past bij jouw woning en jouw leefgewoonten. Verder dwingen de energieprijzen ons om twee keer na te denken over de energiebron die we willen voor onze verwarming. Steeds vaker dringen combinaties van systemen zich op: centrale verwarming + kachel of inbouwcassette bijvoorbeeld, waarmee men zowel het comfort op peil als de stookprijs binnen redelijke grenzen kan houden.

Maar omdat het zo’n complexe materie is en omdat er veel onzekerheid bestaat over de snelheid waarmee energieprijzen zullen gaan stijgen in de toekomst, is het niet doenbaar om een duidelijk antwoord te geven op de vraag: welke energie en welke installatie kiezen? Daarom beperken we ons hier tot het geven van enkele denkpistes die je op weg kunnen helpen.

Een kwestie van afwegen

Verwarmen (of koelen) vraagt dure energie. De gouden regel is dan ook dat je ervoor moet zorgen om zo weinig mogelijk te verwarmen. Dat kan als je een energievriendelijke woning bouwt en je dus zo goed mogelijk isoleert om warmteverliezen tot een minimum te beperken. Het betekent echter vooral dat je voor je aan een bouw- of verbouwproject begint, een en ander zorgvuldig moet afwegen.


Grosso modo heb je als (ver)bouwer drie opties.

1 Nu investeren in een zeer weinig energie eisende, maar toch comfortabele woning en later profiteren van een zeer lage energierekening. Met als grote voordeel dat hoe duurder de energie wordt, hoe sneller je de investering kan afschrijven door het lage verbruik. Opteer je hiervoor dan kan je op je andere bouwkosten besparen door niet die luxebadkamer, -keuken of -vloer te installeren maar die werken uit te stellen tot later. Dit is de categorie van de zogenaamde passiefhuizen (zie verder).

2 Nu kiezen voor een lagere investering in isolatie en energievoorziening en opteren voor een meer “klassieke” woning. Met als nadeel: de hogere werkingskosten en het risico dat de stijgende energieprijzen deze optie later afstraffen. Volg je de EPB-regelgeving (sedert 1 januari 2006 verplicht in Vlaanderen voor alle nieuwgebouwde woningen en grote verbouwingen) dan heb je al een goed geïsoleerde woning.

3 Kiezen voor een lage-energiewoning. Vertrekkend van een “klassieke” woning die beantwoordt aan de EPB-norm kan je echter maatregelen nemen om je woning minder energie te laten verbruiken door te letten op de oriëntatie van je huis, het verhogen van de isolatiediktes, hogere rendementsbeglazing te installeren, gecontroleerde ventilatie met warmterecuperatie te installeren … en zo te komen tot een “lage-energie”woning die beduidend minder verwarmingsenergie zal vragen, maar daarom nog geen passiefhuis is.

Isolatie voor alles!

De verst doorgedreven vorm van isolatie en energiebewust leven vinden wij bij de passiefhuizen: woningen die geen of zeer weinig energie vragen voor verwarming in de winter en voor koeling in de zomer.

Dat kan je bereiken door eerst en vooral de inplanting van de woning zo te kiezen dat je kan genieten van gratis zonnewarmte in de koudere periodes. Door het aanplanten van bladverliezende struiken en bomen krijg je dan in de zomer toch een gedeeltelijke bescherming tegen te sterke bezonning. Een goede ventilatie met warmtewisselaar zorgt ervoor dat er altijd frisse lucht is in de woning zonder dat de binnengebrachte buitenlucht de woning onnodig afkoelt in de winter of opwarmt in de zomer. Koppel je de aanvoer van de buitenlucht aan een Canadese put dan kan je nog meer besparen. Een Canadese put bestaat uit een buizensysteem dat in de grond wordt ingegraven. In de zomer is de grond frisser dan de buitenlucht, in de winter is dit omgekeerd. Voer je nu buitenlucht aan via dit systeem, dan zal de lucht die erdoor stroomt in de winter gratis worden opgewarmd door de grondwarmte en in de zomer gratis worden afgekoeld door de frissere grond. Je hoeft de lucht die binnenkomt dus minder op te warmen in de winter en minder te koelen in de zomer, wat zorgt voor energiebesparing.

Een passiefhuis moet uiteraard goed luchtdicht én goed geïsoleerd zijn. Sowieso (ook bij ‘gewoon’ geïsoleerde huizen) moeten de isolatiematerialen van de verschillende delen van de woning goed op elkaar aansluiten. Er mogen nergens onderbrekingen (koudebruggen) of gaten en kieren zijn waarlangs de kostbare calorieën kunnen ontsnappen. De hele woning moet ononderbroken ingepakt zitten in isolatiemateriaal. Bij een passiefhuis liggen de isolatiediktes van daken, muren en vloer extra hoog: 30 tot 40 cm, om extra goed te isoleren. De vensterkaders moeten speciaal luchtdicht gemaakt zijn en uitgerust met driedubbele beglazing van de laatste generatie.

Al deze vereisten vragen uiteraard een grotere investering dan die voor een goed geïsoleerde moderne woning. Daar staat tegenover dat je niet moet investeren in een klassiek verwarmingssysteem (verwarmingsketel, stookplaats, stookolietank, schouw, … afhankelijk van het gekozen systeem). Verder worden deze passiefhuizen uitgerust met zonnepanelen en zonneboilers voor het warme water en met fotovoltaïsche cellen voor de productie van groene stroom. Ook de leefgewoontes worden aangepast: (zuinige) douches in plaats van (warm)waterverslindende baden, energiezuinige huishoudapparaten en verlichting, ventilatie via mechanische ventilatie en niet via opengaande ramen, enz. En juist dat kan voor sommigen onder ons te veel gevraagd zijn.

Als je een passiefhuis vergelijkt met een Vlaamse nieuwbouwwoning, zal het totale energieverbruik (verwarming, warme water, huishoudtoestellen) nog maar 25 % bedragen ten opzichte van het klassieke huis. Een totale energiekost van 500 euro per jaar is dan geen uitzondering meer. De initiële meerkost voor de bouw van deze woningen bedraagt in Vlaanderen ongeveer 15 %.

Haarden en kachels

Plaatselijk verwarmen was lange tijd dé oplossing. Open haarden, hout- en steenkoolkachels werden in heel België gebruikt voor de verwarming van de woning niettegenstaande een relatief laag rendement. Olie- en gaskachels verhoogden het comfort omdat de brandstof continu kon worden aangevoerd via een buizenstelsel. Tijdens de oliecrisis van de jaren ’70 in de vorige eeuw groeide de interesse voor houtkachels en inbouwhaarden opnieuw, vooral in regio’s waar hout voorradig was en te verkrijgen tegen gunstige prijzen (vooral in het zuiden van ons land). Ze kregen een moderne look en het rendement van deze toestellen werd sterk verbeterd. Ter vergelijking: de klassieke open haard haalt een rendement rond de 10 %, de klassieke houtkachel komt al aan zo’n 40 tot 45 %. De moderne metalen houtkachel bereikt al 70 à 75 %, terwijl de moderne inbouwhaard (of cassette) rond de 60 à 65 % schommelt. De klassieke open haard kan je dus wel gebruiken voor de sfeer, maar de meeste warmte gaat verloren door de schouw.

Haarden en kachels met vensters gaven naast een sterk verbeterd rendement ook het plezier om naar de vlammen te kijken. Bijna iedereen lijkt aangetrokken te worden tot het vlammenspel van brandende houtblokken.

Met de opkomst van de passiefwoningen lijken kachels nogmaals op extra belangstelling te kunnen rekenen: omdat het gevraagde vermogen veel lager ligt dan in een “normaal” geïsoleerde woning kan men een comfortabel binnenklimaat realiseren met behulp van plaatselijke verwarming.

Moderne houtkachels en inbouwopenhaarden kunnen bovendien uitgerust worden met een systeem om lucht of water op te warmen. Lucht die vervolgens via een buizenstelsel of via binnenroosters naar andere ruimten of verdiepingen gestuurd kan worden of water dat kan circuleren via de buizen van de centrale verwarming en zo de warmte kan transporteren naar andere delen van de woning. Dit verhoogt het toepassingsgebied van dit soort van verwarmingssystemen.

Ook tegelkachels genieten weer volop aandacht: het zijn massieve kachels waarvan de massa gedurende een korte tijd wordt opgewarmd met een hevig vuur. Dit houdt in dat de verbranding van het hout bij hogere temperatuur kan gebeuren, wat een beter rendement oplevert. De geproduceerde warmte wordt opgeslagen in de massa (vuurvaste steen of speksteen) en vervolgens langzaam afgegeven aan de omgeving in de vorm van zeer aangename stralingswarmte.

Het comfort: centrale verwarming

De eerste systemen van centrale verwarming werkten op steenkool: een vuile en stoffige brandstof. Daar kwam verandering in met de komst van de stookolie: gedaan met het manueel toevoeren van brandstof en het verwijderen van as. De verwarming op stookolie (of mazout) evolueerde snel: het rendement van de ketels en branders verbeterde, er werden elektronische regelaars toegevoegd, kamerthermostaten en thermostatische regelkranen voor de radiatoren. Tegelijkertijd steeg het rendement van de ketels en de branders, en kon er gewerkt worden met lagere ketel- en watertemperatuur. De lage temperatuurketels deden hun intrede.

Deze lage temperaturen hadden tot gevolg dat ook de temperatuur van de rookgassen daalde omdat er minder moest worden gestookt en dat dus ook de temperatuur van de schouwwand lager werd. Deze rookgassen – hoofdzakelijk CO2 en water – gaan door de schouw naar buiten en indien het om een oude, niet geïsoleerde schouw gaat, zal het water uit de rookgassen tegen de koudere schouwwand condenseren. Bij oudere huizen zie je soms trouwens duidelijk het verloop van de schoorsteen tegen de buitenmuur waar de condensatie roet en stookresten naar de gevel heeft getransporteerd. Dikwijls gebeurt dat als de nieuwe lagetemperatuurketel aangesloten werd op een bestaande schoorsteen die vroeger gebruikt werd voor de afvoer van de veel warmere rook van een hout- of kolenkachel.

Condensatieketels

De lagetemperatuurketel werd opgevolgd door de condensatieketel. In de rookgassen zit immers nog warmte en die worden in de condenserende ketel nog gerecupereerd. Een condensatieketel heeft daardoor altijd een hoger rendement dan een conventionele ketel. Dat rendementsvoordeel wordt nog groter als gewerkt wordt met een lagere keteltemperatuur. De condensatieketel komt namelijk pas echt tot zijn recht als de keteltemperatuur onder de 55 °C daalt omdat op dat moment bijkomende calorieën uit de condenserende rookgassen gerecupereerd kunnen worden.

De berekening van het rendement van ketels is gebaseerd op de traditionele lagetemperatuurketels. Voor de berekening van het rendement van de condensatieketel houdt men echter niet alleen rekening met de warmte die vrijkomt bij de verbranding van de stookolie (zoals bij de lagetemperatuurketel), maar ook met de warmte die er nog gehaald wordt uit de condenserende rookgassen. Daardoor kan het rendement van een condensatieketel hoger liggen dan 100 %.

Tip: bij een verbouwing mag je nooit zomaar een nieuwe verwarmingsketel, en zeker geen condenserende verwarmingsketel, aansluiten op een bestaande schouw bedoeld voor een open haard, een hout- of een kolenkachel. Een dergelijke schoorsteen moet je voorzien van een goed geïsoleerde binnenbekleding (een schouwvoering), bijvoorbeeld in dubbelwandig, glad roestvrij staal. Deze zijn onderaan voorzien van een afvoer voor condensaat, dat zich eventueel nog zou vormen. Opgelet: als het bestaande rookkanaal veel bochten bevat, zal het niet zo makkelijk zijn om er een nieuwe schoorsteenvoering in aan te brengen. Soms zal men je dan aanraden om te kiezen voor een soepele bekleding (een geringde aluminiumbuis). Doe dit niet: omdat dit soort buis niet geïsoleerd is, zal er te veel en te snel condensatie optreden in de buis. Beter is om de bestaande schoorsteen niet meer te gebruiken en een nieuwe korte schoorsteen door het dak of een muur te plaatsen.

Radiatoren

Omdat de temperatuur van het water bij de moderne ketels (lagetemperatuurketels of condenserende ketels) lager ligt moeten er radiatoren gebruikt worden, die met die lage watertemperatuur toch genoeg vermogen hebben om de ruimtes te verwarmen. Het rendement van moderne radiatoren (of convectoren) moet dus hoger liggen of er moeten meer of grotere radiatoren geplaatst worden.

Vloerverwarming

Een andere oplossing is met dit water op lage temperatuur grotere oppervlakken te verwarmen om een goede warmte-uitwisseling te krijgen. Dit kan door leidingen in lussen te leggen in de vloer of in de muur: vloer- of muurverwarming. Dit is een zeer comfortabele manier van verwarmen, maar door de grote massa die verwarmd moet worden (muur of vloer) is het systeem ook traag (het heeft een grotere inertie). Zet men het cv-systeem aan dan duurt het langer voor de woning comfortabel aanvoelt. Anderzijds zal ze ook trager afkoelen. De regeling van het systeem moet hiermee rekening houden: je moet bijvoorbeeld met behulp van de thermostaat de cv ‘s morgens vroeger in werking zetten om het warm te hebben bij je ontbijt, maar je kan hem ‘s avonds sneller laten uitgaan en het toch warm genoeg hebben tot je gaat slapen.

Keuze van een verwarmingsketel

De verwarmingsinstallatie moet niet alleen verwarmen als de herfst de eerste koude brengt, maar de woning ook warm krijgen als het stenen uit de grond vriest. Het vermogen van de installatie wordt daarom berekend voor de koudst mogelijke periode (dat zal dus lichtjes anders zijn aan zee en in de Ardennen). Deze berekening verklaart meteen waarom een ketel niet continu moet werken: op minder koude dagen zal de brander minder vaak “aanslaan”. Een ketel waarvan de brander pas gestopt is, blijft nog een hele tijd warm. Hij zal langzaam afkoelen via de wanden en de schoorsteen. Deze verliezen bij het afkoelen noemt men stilstandverliezen. Bij oude en te grote ketels kunnen deze stilstandverliezen hoog oplopen. Moderne ketels hebben veel minder stilstandverliezen dankzij een betere isolatie en een modulerende werking van de brander. Ze zijn dus zuiniger.

Het is aan te raden om het ketelvermogen volgens de Belgische norm te laten berekenen en geen genoegen te nemen met een “benaderende berekening” van de installateur. Enerzijds moet het radiatorvermogen juist verdeeld worden over de leefkamers; anderzijds is een ketel/brander met een te groot vermogen duurder en heeft hij een onnodig hoog energieverbruik. Grosso modo zal voor de verwarming van een nieuwe doorsneewoning (zonder rekening te houden met de productie van warm water) een ketel van 10 kW moeten volstaan. Installateurs durven nogal eens een berekening geven op basis van het volume van het gebouw. Dit is echter te onnauwkeurig. Ligt het resultaat van dergelijke berekening hoger dan 10 kW, dan moet je je afvragen wat er mis is: de nauwkeurigheid van de berekening, de isolatiekwaliteit, …

Let op: als de cv ook moet dienen voor het opwarmen van het sanitair warm water, dan zal een hoger vermogen nodig zijn.

De prijs van warmte

De energieprijzen bereiken niet alleen grote hoogtes, ze worden hoe langer hoe minder voorspelbaar. Denken we maar aan de aankondiging van Elektrabel in juni-juli over de verhoging van de aardgasrekening.

De prijzen van aardolie, aardgas en elektriciteit zijn aan elkaar gekoppeld. Gaat één van die producten in prijs omhoog dan zullen de andere redelijk snel volgen. Omdat op dat moment heel wat mensen willen besparen door gedeeltelijk over te schakelen op hout voor de (bij)verwarming, zal ook de houtprijs met enige vertraging oplopen door de stijgende vraag.

Wind en zonneschijn mogen dan wel gratis zijn, maar de toestellen nodig voor het omzetten van deze natuurlijke energie in voor ons bruikbare energie zijn dat spijtig genoeg niet. Investeren in alternatieve energie is een goede optie maar het vraagt wel kapitaal of een (bijkomende) lening. Gelukkig zijn er subsidies, maar die ontvang je altijd pas nadat je de nodige uitgaven hebt gedaan. Of zouden er in onze nieuwe regering mensen zitten die inzien dat een goedkope lening misschien wel een betere oplossing zou zijn? Op die manier zouden heel wat meer mensen de omschakeling naar alternatieve energiebronnen kunnen doorvoeren.

Hoewel minder actueel wordt toch nog gesproken over elektrische verwarming. Directe verwarming met elektriciteit lijkt soms interessant: de installatiekosten zijn in vergelijking met andere systemen zeer laag. Maar de werkingskosten zijn hoog door de hoge elektriciteitsprijzen. Elektrische verwarming met accumulatie is wel wat duurder, maar de kachels kunnen ‘s nachts opgeladen worden tegen een voordelig nachttarief waardoor de werkingskosten lager komen te liggen. Omdat je echter niet met zekerheid kan zeggen welke de buitentemperaturen de volgende dag zullen zijn, blijkt in de praktijk dat er soms te veel energie wordt geaccumuleerd (opgeslagen) en soms te weinig. Daardoor krijg je dan ofwel energieverlies of te weinig verwarming.

Opmerking: in de EPB-regelgeving wordt elektrische verwarming minder goed gequoteerd. De productie en distributie van elektriciteit is 2,5 x groter dan deze van gas en stookolie. Die primaire energie wordt meegenomen in de berekening van het E-peil van een woning (zie kader). Omwille van de grotere belasting voor het milieu weegt elektrische verwarming zwaarder door op het E-peil.

De warmtepomp: een goed alternatief

Elektrische verwarming blijkt dus geen goed alternatief te zijn. Het gebruik ervan wordt best beperkt tot klein vermogen en zeer sporadisch gebruik. De enige uitzondering op deze regel zijn de warmtepompen. Alhoewel al sinds de jaren ’70 op de markt, hebben deze toestellen een snelle evolutie doorgemaakt. Ze gebruiken een elektrische motor om gratis omgevingswarmte (uit de lucht, uit de grond of uit grondwater) op een hoger temperatuurniveau te brengen, waarna je de woning ermee kan verwarmen en ook in de productie van warm sanitair water kan voorzien.

Een installatie met een warmtepomp moet een zo hoog mogelijke COP (coefficient of performance) hebben. Deze COP geeft aan hoeveel warmte er wordt geproduceerd met behulp van één kWh (kilowattuur) elektriciteit. Een zeer goede installatie zou een COP moeten hebben die hoger ligt dan 4. Dit houdt in dat met 1 kWh elektriciteit minstens 4 kWh warmte geproduceerd wordt.

Een hoge COP wordt bepaald door de bouw van de machine en door de werkingstemperaturen. Hoe hoger de vertrektemperatuur (van lucht, grond of grondwater) hoe hoger het rendement van de warmtepomp. Daarom haalt men best de omgevingswarmte uit een warmtebron met een zo hoog mogelijke temperatuur (in de winter zijn de grond en het grondwater gemiddeld warmer dan de buitenlucht).

Opmerking: opteer je voor een lucht-warmtepomp dan is het interessant deze te koppelen aan een Canadese put om de lucht voor te verwarmen in de winter en voor te koelen in de zomer. Je moet wel beschikken over voldoende grondoppervlakte om de nodige buizen voor de Canadese put in te graven.

Om een optimaal rendement te hebben moet de warmte met een zo laag mogelijke temperatuur worden afgegeven. Dit veronderstelt een groot warmtewisselend oppervlak: vloer- of muurverwarming, bijvoorbeeld, vraagt een lagere watertemperatuur (ca. 30°C) dan radiatoren (ca. 60°C). De betere warmtepomp zal bijgevolg zijn energie uit de grond of uit het grondwater halen en die afgeven via een goede vloerverwarming terwijl het geheel voorzien is van een aangepaste regeltechniek die ervoor zorgt dat er voldoende (maar niet te veel) energie voorhanden is om de gewenste binnentemperatuur te halen.

Wil je de warmtepomp toch combineren met radiatoren dan zal je een krachtiger pomp nodig hebben (een hoger rendement) en meer energie om het water op 60° te brengen. Of je zal een extra energiebron (bv. een pelletkachel) moeten installeren. Deze optie is eigenlijk niet aan te raden omdat je het aanvankelijke voordeel van de warmtepomp tenietdoet.

Verwarmen met hout: zeer aanvaardbaar

Meestal kiezen mensen voor een “mooie” houtkachel en hebben ze te weinig oog voor de kwaliteit en het rendement (zie boven) van de kachel. Vaak gebeurt de luchtregeling bij houtkachels (en cassettes) manueel en dat is verre van optimaal. Daardoor is de verbrandingstemperatuur veel te laag. Bovendien is de kachel dikwijls te groot.

Het juiste hout is ook een belangrijke factor. De meesten onder ons zijn volslagen leken op het gebied van brandhout. De kwaliteit van het gebruikte hout laat dan ook vaak te wensen over. Goed en kwaliteitsvol brandhout is echter niet goedkoop. En omdat men meer aandacht heeft voor de prijs dan voor de kwaliteit, wordt soms met te nat of zelfs met behandeld hout (geverfd, gedrenkt, …) gestookt. Slecht brandhout ligt echter aan de basis van een onvolmaakte verbranding, met als gevolg dat houtkachels en open haarden dikwijls zorgen voor zware verontreinigingen. Zo kan er te veel roet en teer in de schouw terechtkomen wat een verhoogd risico op schoorsteenbrand geeft. Een slechte kachel, een slecht trekkende schoorsteen, slecht hout en slechte stookgewoonten kunnen aanleiding geven tot te hoge concentraties van CO (koolstofmonoxide) en PAK’s (polycylische aromatische koolwaterstoffen) binnenshuis, zelfs wanneer het binnen niet rokerig lijkt te zijn. Ook het openen van de kacheldeur voor het bijvullen kan zorgen voor vervuiling van de binnenlucht. Reden genoeg om te kiezen voor een technisch goede kachel en degelijk brandhout. Alleen dan geniet je van alle voordelen: veiligheid, bedieningsgemak, zuinig, goede en zuivere verbranding …

Ten slotte: als je een houtkachel wil, moet je over voldoende ruimte beschikken om het hout buiten te laten drogen in weer en wind, de bovenkant afgedekt tegen de regen. Bezin eer je begint: een houtkachel vraagt werk! Je moet zorgen dat er hout voorradig is met de goede afmetingen, je moet regelmatig hout binnendragen en je moet zorgen voor de afvoer van de houtas.

Opmerking: er bestaan kachels en cassettes die kunnen aangesloten worden op het buizenstelsel van de centrale verwarming (lucht of water). Daardoor wordt de warmte van de kachel of cassette verdeeld over de woning. Dit kan een interessante optie zijn.

Houtpellets: ook voor centrale verwarming

Pellets zijn kleine stukjes hout die zonder bindmiddel geperst worden uit zuivere houtafval. Ze kunnen op een gecontroleerde manier gestookt worden: in pelletkachels, die je éénmaal per dag manueel moet vullen; en in pelletketels van een centrale verwarming, met automatische aanvoer van brandstof. Bij de ketels gebeurt het ontsteken van de vlam automatisch. Een thermostaat regelt de toevoersnelheid van de pellets en een ventilator doseert de verbrandingslucht. Het vermogen wordt daardoor aangepast aan de warmtevraag zodat het systeem zuinig, milieu- en gebruiksvriendelijk is.

Een goede ketel met een goede regeling is van belang voor een optimale verbranding. Zijn de pellets van goede kwaliteit en van zuiver hout gemaakt, dan hebben ze een laag asgehalte en bevatten ze weinig verontreinigingen zodat de ketel goed blijft functioneren.

In bulk zijn pellets iets goedkoper dan in zakken. Voor een equivalent aan 1000 liter stookolie heeft men 2000 kg pellets of 3 m3 opslagruimte nodig. Neem voldoende inlichtingen als je eraan denkt een dergelijk systeem te installeren: niet alleen heb je de nodige opslagruimte nodig maar die moet ook voldoen aan verschillende vereisten (vanwege het brandgevaar). Bovendien moet de opslagruimte makkelijk bereikbaar zijn voor de levering per vrachtwagen!

Vergeleken met gas- en oliegestookte systemen ligt de investering voor pelletketels of voor pelletkachels een stuk hoger. Maar door de lagere brandstofkosten zijn pelletsystemen toch concurrentieel. Bovendien kan je genieten van premies en/of fiscale voordelen.

Kwaliteitslabels voor keuze van een verwarmingsketelStookolie

De oliesecter heeft twee kwaliteitslabels gecreëerd om de verbruiker te helpen bij de keuze van een ketel met garantie op kwaliteit, service en rendement.

Optimaz is het kwaliteitslabel van stookolieketels (en bijpassende brander) die aan zeer strenge eisen voldoen.

Elite is de condenserende versie van Optimaz, het rendement ervan ligt nog hoger. Bij de keuze moet men er rekening mee houden dat sommige toestellen niet met gewone stookolie mogen werken, maar alleen met duurdere, zwavelarme stookolie. Een condenserende stookolieketel presteert het best met een weersafhankelijke regeling (met een buitensonde) in combinatie met een kamerthermostaat.

Gesloten toestellen hebben geen schoorsteen nodig, een geveldoorvoer kan volstaan. Omdat er bij geveldoorvoer problemen kunnen optreden van geurhinder, verkleuring en condensatie op de gevel rond de doorvoer blijft een dakaansluiting aan te bevelen.

De nieuwste branders met kleurloze tot blauwachtige vlam stoten minder stof, NOx (stikstofoxyden), CxHy (koolwaterstoffen) en CO (koolmonoxyde) uit.

Daardoor heeft de ketel minder last van roetvorming zodat het verbrandingsrendement tijdens het stookseizoen meer gelijk blijft met een hoger jaarrendement als resultaat.

Opgelet: er is een reglementering i.v.m. overvulbeveiliging en lekbeveiliging van opslagtanks! Je vindt alle informatie hierover op de site van informazout.

Aardgas

De gassector heeft eveneens twee kwaliteitslabels in het leven geroepen.

Het label HR+ staat voor “hoog rendement”. Nog zuiniger zijn de condensatieketels met het label HR-top.

Gesloten gastoestellen (type C) zijn extra veilig op het vlak van CO-vergiftiging omdat er geen verbinding is met de bewoonde ruimtes. Open toestellen met schoorsteen (type B) vormen een CO-risico indien men zich niet houdt aan de voorschriften.

Veel gastoestellen op de markt hebben geen waakvlam maar een elektronische ontsteking waardoor het jaarverbruik lager komt te liggen. Rookgasafvoer kan via een muur of het dak. Dit geeft meer plaatsingsmogelijkheden. Omdat een muurdoorvoer aanleiding kan geven tot rookhinder, is de plaatsing ervan streng gereglementeerd. Een dakdoorvoer is ook hier dus aan te raden.

Hout

Voor houtkachels en -cassettes bestaan er din-normen die een bepaald rendement garanderen. Vraag ernaar bij de verkoper.

Voor pelletketels bestaan er nog geen kwaliteitslabels.

Geld speelt wel een rol!

Bij de keuze van een nieuwe verwarmingsinstallatie spelen veel variabelen een rol. Daarom is het nodig de systemen te vergelijken met de totale kost voor de verschillende opties en dit gespreid over de hele levensduur van de installatie (die toch al gauw zo’n 20 jaar bedraagt!). De investering voor aankoop en installatie is éénmalig maar het energieverbruik herhaalt zich jaar na jaar waarbij er toch rekening gehouden moet worden met (zelfs waarschijnlijke) stijgingen in de toekomst. De goedkoopste oplossing bij aankoop is daarom meer dan waarschijnlijk niet de goedkoopste oplossing op langere termijn. Want als de energieprijs sneller stijgt dan verwacht, dan is het niet eenvoudig om een relatief recentelijk (5 à 10 jaar oud) geplaatst en goed werkend systeem te vervangen door een nieuw dat wel zuiniger omspringt met energie of een beroep doet op alternatieve energie. Bovendien is het economisch niet verantwoord om na 5 à 10 jaar opnieuw te investeren is een nieuwe ketel.

Omdat een verwarmingsinstallatie kiezen vrij complex is, kan het interessant zijn om een beroep te doen op specialisten: zij kunnen doorgedreven berekeningen maken, wat je kan helpen om uit te zoeken wat voor jou het meest geschikte verwarmingssysteem is.

Er bestaan natuurlijk programma’s waarmee je mits wat inspanning zelf aan het rekenen kan slaan, maar een juiste interpretatie van de resultaten vraagt om een specialist op gebied van verwarming. Je moet bovendien rekening houden met premies en fiscale voordelen die er voor de verschillende systemen aangeboden worden (zie kaderstuk pag. 97).

Daarnaast mag je ook sommige schijnbaar minder belangrijke elementen niet uit het oog verliezen:

Een installatie op stookolie of met houtpellets vraagt ruimte voor de opslag van de brandstof. En die ruimte moet beantwoorden aan wettelijke normen. Dat brengt een bijkomende investering mee ten opzichte van bv. een installatie op aardgas of een warmtepomp.

Een gesloten ketel vormt een goede beveiliging tegen het gevaar van CO.

Een wandketel neemt minder plaats in dan een vloerketel.

Tekst: Jef Sels

Ik ga Bouwen & Renoveren

ExtraEnergiebesparing en ecologie

Die twee zijn jammer genoeg niet altijd synoniem:

Stijgen de prijzen van brandhout bijvoorbeeld dan is de verleiding groot om minderwaardig, goedkoper hout te gebruiken. Met als gevolg dat heel wat afvalstoffen via de schoorsteen de lucht in gaan.

Energie besparen gebeurt daarom beter door het verbeteren van de isolatie en door het gebruik van hoogrendementsbeglazing, door het verbeteren van de luchtverversing (eventueel met een energiewisselaar om de warmte uit de naar buiten gaande lucht te recupereren), door te kiezen voor een hoogrendementsketel voor de verwarming of door te opteren voor een warmtepomp.

E-peil en k-waarde

Met de nieuwe regelgeving inzake Energieprestatie en Binnenklimaat (EPB) moeten nieuwgebouwde woningen beantwoorden aan strenge eisen op het vlak van energieverbruik en isolatie. Ook wie grote verbouwingen uitvoert, moet aan deze eisen voldoen. Twee termen zijn in dit verband erg belangrijk geworden.

1. K-waarde geeft aan in welke mate een huis is geïsoleerd. Deze K-waarde mag maximaal 45 bedragen. M.a.w.: hoe kleiner het cijfer hoe beter de woning is geïsoleerd.

2. E-peil is het cijfer dat het energierendement van een woning aangeeft. Het E-peil moet kleiner of gelijk zijn aan 100. Voor de berekening ervan wordt niet alleen rekening gehouden met de isolatie (van dak, muren, vloeren, vensters en deuren), maar ook met de compactheid van de woning, het rendement van de verwarmingsinstallatie en de productie van warm water, de benutting van zonnewarmte, de ventilatie … Meer info over EPB: www.epb-oplossingen.be

Onderhoud op zijn tijd

Elke verwarmingsketel op stookolie moet jaarlijks nagekeken worden door een erkend technicus. Die reinigt de schouw en de verbrandingsruimte, checkt de goede werking van de brander en berekent het rendement aan de hand van verschillende metingen.

Dit jaarlijkse onderhoud is wettelijk verplicht. De technicus overhandigt dan ook een certificaat waarin alle wettelijke metingen en de resultaten opgetekend staan. Deze verplichting is nuttig voor de eigenaar want dankzij dit onderhoud weet hij dat zijn ketel het juiste maximale rendement haalt en dat zijn verbruik van olie zo laag mogelijk ligt. De kosten voor dit onderhoud zijn ook fiscaal aftrekbaar. Redenen te over om dit niet te verwaarlozen.

Voor ketels op gas is er geen verplichting tot onderhoud. Maar ook hier doe je er als eigenaar goed aan om regelmatig een controle te vragen (om de twee jaar). Zo ben je er zeker van dat je verbruik niet onnodig te hoog zal zijn en ook dat je verwarming je niet in de steek zal laten in volle winter.

Pelletketels doen een beroep op vaste brandstof. Naast een onderhoud van de ketel zelf is een jaarlijkse grondige reiniging van de schouw een must.

Warmtepompen zijn elektromechanische machines: een jaarlijkse controle op de goede werking van de pomp en een nazicht van de elektrische veiligheid zijn aan te raden.

Niet gevonden wat je zocht?

Probeer het nogmaals in onze zoekmachine.

Gerelateerde artikels